Programma Organisatie Hoe komt u er Mosselrock De Mossel Recepten Foto's Yerseke






De geschiedenis van een welvarend dorp.
Van het begin tot 1970

Het ontstaan


De officiële naam van Yerseke is op 20 april 1816 door de Hooge Raad van Adel vastgesteld. Toch schrijft men haar tot op de dag van vandaag nog wel als "Ierseke". Het is niet onmogelijk dat Yerseke, met Wemeldinge, tot de oudst bewoonde kernen van Zuid-Beveland behoort. Bij opgravingen in 1923 stootte men in een afgebroken pand aan de Lepelstraat onder de laaggelegen vloer op drie aardewerkpotten, die gevuld waren met menselijke skeletdelen, as en houtskool. De resten van de lijkverbranding dateerde men in het Karolingsche tijdperk (7e-9e eeuw) of ouder. Met deze vondst toonde men aan dat in het hoogst gelegen deel van Yerseke -de Lepelstraat en omgeving- omstreeks 600 à 700 na Christus bewoond kan zijn geweest. Van enige bedijking was nog geen sprake: men woonde op de hoger gelegen delen in het slikken- en schorrengebied dat Zuid-Beveland toen was. Ook bewoonde men terpen en vliedbergen. In de vroege Middeleeuwen bezaten enkele grote Vlaamse abdijen uitgestrekte goederen op de Zeeuwse eilanden. Eén van deze abdijen was de S. Geertruidsabdij te Nijvel. Uit een oorkonde van keizer Karel de Kale van 8 juli 877 blijkt dat deze goederen verband houden met de zoutindustrie. De Zeeuwse bezittingen werden pas weer vernoemd in een oorkonde van keizer Otto I van 27 juli 966. Het Zeeuwse bezit bestond onder meer uit drie eilanden waarvan men de namen in de vijftiende eeuw spelde als: Bieuelant, Spiesant en Gersake. Deze laatste twee kwamen ook voor in een koningsoorkon-de van Otto II uit 980 waarvan in een vijftiende-eeuwse kopie de namen werden geschreven als Suisant of Siusant en Gersicha. Gersicha, Gersake kan worden aangemerkt als Yerseke. Yerseke kan op bodemkundige gronden nooit een afzonderlijk eiland zijn geweest. Het dorp Yerseke ontstond vòòr 980 op een oude kreekrug en werd vernoemd naar de restgeul die eveneens Yerseke werd genoemd. Vermoede-lijk werd nog in de elfde eeuw deze restgeul afgedamd door de Yersekendam. In 1133 stichtte de orde van de Norbertijnen een nieuwe abdij te Tongerlo. In een pauselijke oorkonde van Urbanus III van 6 september 1186 waar de bezittingen van de abdij van Tongerlo werden opgesomd, behoorde ook "terram in Gersecka." Op 6 maart 1233 vaardigde paus Gregorius IX een oorkonde uit ten behoeve van de abdij, waarin het bezit van Yerseke werd bevestigd:"curtes de Ewen, de Caltout, de Eschen, de Ihrseca cum tota terra que Polre dicitur et terra de Hildernisse." De abdij heeft waarschijnlijk te Yerseke een grangia gesticht, waartoe in 1233 bovendien een polder en het land van Hildernisse behoorden. Volgens een overloper van Yerseke uit 1518 lag er in het Zoute (een streek die met Zoute wordt aangeduid en gelegen is ten zuiden van het dorpscentrum van Yerseke en zich uitstrekt tot in Kruiningen) een complex hoeken met de naam "'t Monnicken grote land." Bij een verrichte bodemkartering stelde men de aanwezigheid van een uitgebreide oude kultuurplaats vast, ongeveer rondom de tegenwoordige hofstede "Zoute." Omstreeks 1930 werden hier een begraafplaats, een pleintje van geglazuurde tegels en een aantal Middeleeuwse fundamenten aangetroffen. Vermoedelijk heeft de grangia van Tongerlo gestaan in het Zoute. Rondom de kloosterboerderij lagen de landerijen. Uit veertiende-eeuwse grafelijke rekeningen bleek dat vóór de inundatie van 1530 ten oosten van Yerseke en ten noorden van Kouwerve drie poldertjes lagen: de Schachtekijnspolder, de Yersekerpolder en de Nieuwe Polder. Het grafelijk bezit heeft vermoedelijk in de Schachtekijnpolder gelegen. Het centrum van het grafelijk domein, de hof, bestaande uit een stenen huis met bijgebouwen en schuren, omringd door een gracht, was in 1332 kennelijk oud en vervallen en stortte gedeeltelijk in. Het is niet aannemelijk dat deze poldertjes door één van de Hollandse graven waren ingepolderd. Waarschijnlijk heeft de graaf deze poldertjes aangekocht van de Norbertijnen van Tongerlo tussen 1186 en 1233. De volgorde waarin de poldertjes zijn ingepolderd is onduidelijk. Ook is onduidelijk of hier een tweede grangia van de Norbertijnen heeft gestaan. Om-streeks 1300 maakt de Premonstratenserorde waartoe de abdij van Tongerlo behoorde, financieel een moeilijke tijd door. De bezittingen in het door oorlog geteisterde Zeeland waren sterk in waarde en omvang verminderd en de abdij deed ze dan ook van de hand. In de tweede helft van de deriende eeuw hebben de Norbertijnen ook de andere landerijen van de hand gedaan. Van Hildernisse werd niets meer vernomen. In 1308 bezat de abdij nog wat grond in het Zoute. De tienden van haar landerijen, die zij van het kapittel van Oudmunster te Utrecht in pacht had, verkocht zij in 1300 aan Boudewijn van Yerseke. Over de vroegere heren van Yerseke is weinig bekend. Op grond van de schaarse gegevens uit enkele oude documenten kunnen we ons een beeld vormen van de kleine groep van edelen die alle gronden en goederen in hun bezit hadden en deze bezittingen met hand en tand moesten verdedigen tegen andere heersende groeperingen. In een charter van 12 juni 1290 werd Aloud van Yerseke genoemd, die met andere edelen trouw zweert aan de graaf van Vlaanderen, omdat graaf Floris V teveel ingreep in de rechten van de van de Zeeuwse edelen. Aloud veranderde nog hetzelfde jaar van mening en koos voor de graaf van Holland. In een document van 1291 komen we de naam van ridder Boudewijn van Yerseke tegen. Hij stamde uit het geslacht van de heren van Reimerswaal. In een oorkonde van 31 maart 1315 beloofde Klaas Kervinck van Reimerswaal, Heer Boudewijns-zoon, het grafelijk recht binnen Reimerswaal te handhaven. Boudewijn van Yerseke was vermoedelijk vóór 1315 overleden. In een oorkonde van 14 juli 1334 komen we weer een Boudewijn van Yerseke tegen, belast door graaf Willem III met de voogdijschap over jonkvrouwe Kateline, Heer Jan Mulartsdochter. Boudewijn werd aangeduid als heer Nicolaas Kervincszoon van Reymerswaal. In 1355 werd Boudewijn van Reimerswaal vermeld, die door hertog Willem werd belast met het nemen van maatregelen om de straten van Yerseke te verbeteren. Uit het eind van de veertiende eeuw kwam een andere machthebber naar voren, heer Jan van Yerseke, gehuwd met Jonkvrouwe Katherine van Baersdorp.




Het ontstaan
Grondgebied
De politie
Openbare werken
Economische aangelegenheden
Yerseke Nu