Economische aangelegenheden
de havens
Yerseke lag oorspronkelijk niet direct aan het water. De kleine haven waarover men kon beschikken lag ten noorden van de Burenpolder. De aanleiding om te Yersekendam een aanlegplaats voor schepen in te richten was in de middeleeuwen de verbinding die vanaf Walcheren over Zuid Beveland via Yersekendam naar Tholen liep en waarvoor tussen de Dam en Gorishoek een veerdienst werd onderhouden. De Yersekendam was aan die zijde van Zuid Beveland het enige punt dat door de daar enigszins gevormde inham
voor inrichting als ligplaats voor schepen in aanmerking kwam. De haven op de dam had geen grote capaciteit. Omstreeks het eerste kwart van de negentiende eeuw bestond de los- en laadgelegenheid uit enkele kleine dammen aan weerszijden van de zeesluis. Rond 1840 werd de los- en laad-plaats verbeterd. In 1870 werd uiteindelijk een nieuwe haven aangelegd. De aanleg had alles te maken met de opkomst van de oesterteelt.
In 1875 bleek de haven al weer te klein te zijn. In 1883 besloot men daarom over te gaan tot vergroting van de haven.
In 1898 volgde er een nieuwe vergroting van de haven en rond 1938 maakte men opnieuw plannen. De Tweede Wereldoorlog gooide echter roet in het eten. Pas in de jaren vijftig kwam de havenuitbreiding weer in zicht. Donkere wolken pakten zich boven deze ontwikkelingen samen toen de sluiting van de Oosterschelde aan de orde kwam. De Yersekse vissers zagen hierin een bedreiging van de oester- en mosselcultuur. Met de milieubeweging werkten zij samen om de Oosterschelde open te houden, wat uiteindelijk met de bouw van de stormvloedkering bereikt werd. De gemeente vervaardig-de bovendien plannen voor de bevordering van de recreatievaart. De opening van de haven vond uiteindelijk plaats op 15 juli 1965. De nieuwe haven kreeg de naam Prinses Beatrixhaven en de oude haven Prins Willem Alexanderhaven, waarmee beroeps- en pleziervaart in Yerseke aan hun trekken komen.
de middelen van bestaan
Zo tot 1870 was de bevolking grotendeels op de agrarische sector gericht. Na dat jaar zouden oester- en mosselteelt een zeer belangrijke rol gaan spelen in het Zeeuwse "Klondike."
In het jaar 1820 vermelde de Yersekse beroepenlijst de volgende beroepen: arbeider, landbouwer, lanbouwknecht, molenaar, schipper, paardeknecht, belastingcontroleur, geneesheer, wagenmaker, herder, predikant, kleermaker, smidsknecht, schippersknecht, veldwachter. In 1824 waren er de volgende winkels aanwezig: 2 broodbakkerijen, 2 hoefsmederijen, 1 korenmolen, 2 kleermakerijen en 1 meestoof. In 1829: 2 broodbakkerijen, 2 hoefsmederijen, 1 korenmolen, 4 kleermakerijen, 1 meestoof, 2 metselarijen, 3 schoenmakerijen, 2 slachterijen, 3 timmerwinkels en 1 wagenmaker. De meeste inwoners vonden echter hun bestaan in de landbouw en veeteelt. Fruitteelt werd eerst in de twintigste eeuw belangrijk. Ook is er thans enige glasbouwteelt aanwezig. Vanaf de jaren zestig van deze eeuw, toen het slecht ging met de mossel- en oestercultures kwam de teelt van champignons op. Zo'n tien jaar later telde Yerseke 22 champignonkweekerijen.
De teelt van mossels en oesters werd vooral na 1870 belangrijk toen men gekalkte dakpannen in gebruik nam. In principe werden het broed en de jonge oesters verkregen op natuurpercelen en daarna overgebracht op zaaipercelen. Hiervoor werden oesterputten gebruikt later kregen ze de functie van voorraadreservoirs.
De eerste oesterput werd in 1871 aan de buitenzijde van de Breedsendijk tussen dijkpalen 78 en 79 aangelegd. De aanvrager voor de vergunning was de firma De Groot en Bollier later werd deze put nog uitgebreid en kwamen er ook meerdere oesterputten bij. Ook bestond er al gauw behoefte aan werkplaatsen en bergruimte. Goede en slechte jaren wisselden elkaar af. Een strenge winter kon de teelt teniet doen. Toch slaagde men er steeds in de bedrijfstak springlevend te houden. De Yersekse mossel en oester zijn beroemd. Export vond en vindt plaats naar België, Duitsland, Engeland, Frankrijk en Rusland.
De grondlegger van de mosselconservenindustrie was J. de Leeuw, die de firma De Leeuw-Geluk oprichtte. Rond 1911 werden de mosselen voor het eerst fabrieksmatig geconserveerd. Ze werden na het koken ingelegd in azijn. Het koken en pellen was vooral huisarbeid. Tot de tweede wereld-oorlog bestond er één mosselconservenfabriek, later kwamen daar nog meer bij. Andere aanverwante bedrijven waren: de handel in kreukels, de schelpmaalderijen en reparatiewer-ven voor de schepen. In 1885 werd de eerste werf door C. Siereveld gesticht. In 1926 waren er twee werven aanwezig, die van C. Sierreveld, die later in handen kwam van de gebrs. Meerman en in 1928 werd over-genomen door J. van Os. Rond 1885 werd de tweede werf gesticht door C.R. van Os, die later ook door de gebrs. Meerman werd overgenomen. Verwant aan de visserij was de oprichting van de vissersleenbank in 1938, waarover in het archief ook het een en ander te vinden is.
|

|
Het ontstaan
Grondgebied
De politie
Openbare werken
Economische aangelegenheden
Yerseke Nu
|